Opinie: Moet de kiesleeftijd naar 16 jaar?

Kiesleeftijd27022021

‘Moet de kiesgerechtigde leeftijd naar 16 jaar?’ Ik houd van discussie, dus ik gooi deze vraag in de groep. Een gezelschap van sceptici, zo blijkt. Ik ben de enige voorstander. Waarom ik voor ben? Omdat het loont het politiek bewustzijn van jongeren eerder aan te wakkeren, en omdat een lagere kiesgerechtigde leeftijd het nut van dat politieke bewustzijn een stuk concreter maakt voor diezelfde jongeren.

Redacteur: Antrude Oudman

Eerlijkheid gebiedt me te zeggen: ik heb mezelf in het achterhoofd. Ik was een stuk geïnteresseerder geweest in het blok over politiek als ik binnen korte tijd zelf had kunnen stemmen. Ik vond maatschappijleer als zestienjarige op zijn best matig. Dit is niet bedoeld als ‘bewijs’ dat de kiesleeftijd naar beneden moet – dat zou érg subjectief en casuïstisch zijn. Ik vertel dit om mijn referentiekader voor iedereen helder te hebben. Het is beter om veronderstellingen en ervaringen op tafel te leggen dan te doen alsof jij jouw argumenten vanuit een volledig neutrale achtergrond te berde brengt.

Advies ROB

In juni 2019 kwam de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB), de adviesraad van parlement en regering, met het advies om de kiesleeftijd te verlagen naar 16 jaar. Of liever gezegd: om experimenten hiermee uit te voeren op provinciaal en lokaal niveau. De kiesgerechtigde leeftijd is vooralsnog 18 jaar en dat ligt ook vastgelegd in de Grondwet. Voor een Grondwetswijziging is in zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer een twee derde meerderheid nodig, en tussendoor verkiezingen. En om die meerderheden te bereiken helpt het nogal eens om te bewijzen dat wijziging nut heeft. Ziedaar: een reden tot experimenteren.

De aanleiding van dit advies waren cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). Het CBS becijferde dat vergeleken met andere landen in Nederland jongeren tussen de 15 en 18 jaar minder warmlopen voor politiek. Slechts vier op de tien jongeren bleek tamelijk tot zeer geïnteresseerd in politiek. De ROB-onderzoekers wezen erop dat in Oostenrijk en verschillende Duitse deelstaten waar zestienjarigen mogen stemmen, de politieke betrokkenheid in die leeftijdsgroep was gegroeid. In Oostenrijk ging verlaging overigens wel gepaard met campagnes en onderwijs gericht op politiek en burgerschap. De hoop is vooral: jong geleerd, oud gedaan. Wie jong wordt gestimuleerd tot stemmen, zal dit waarschijnlijk blijven doen.

Gemengde gevoelens

Het advies werd niet met open armen ontvangen. Neuropsycholoog Jelle Jolles wees erop dat het brein van een zestienjarige nog niet volledig is ontwikkeld, dat vaardigheden zoals oordelen, kiezen en beslissen nog niet zijn uitontwikkeld. Omdat zestien- en zeventienjarigen nog in het proces van persoonlijke groei en ontplooiing zitten, zou het beter zijn de kiesleeftijd op 18 jaar te houden. Een wat cynisch tegenargument: het stemrecht van ouderen die dementeren of een andere ingrijpende ziekte hebben, wordt evenmin afgenomen. Het breinargument is blijkbaar niet volledig van toepassing in ons kiesrechtsysteem.

Interessant is dat verschillende provincies - voordat de ROB met het advies kwam in 2019 - zelf hebben gevraagd om experimenten met de kiesleeftijd. De discussie speelt ook al veel langer. In 2010 bracht de Universiteit Twente in een rapport deze discussie in kaart, in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Een heel behulpzaam overzicht van hoe deze discussie in binnen- en buitenland werd gevoerd, en van alle argumenten.

Eén van de meest interessante argumenten in dat rapport vond ik het argument dat ieder mens met burgerlijke plichten in staat moet zijn te beslissen over de collectieve beslissingen. En aangezien jongeren burgerlijke plichten hebben – zoals het betalen van belasting – zou verlaging van de kiesleeftijd niet meer dan logisch zijn. Het is feitelijk het klassieke principe no taxation without representation, één van de grondoorzaken voor de afscheiding van de Verenigde Staten van toenmalig Engeland. Hoe dan ook: gekoppeld aan dit argument is de aanname dat zestien- en zeventienjarigen prima in staat zijn hun burgerlijke plichten te voldoen en dus ook om te stemmen. Wat tegenstanders die wijzen op het onvolgroeide puberbrein dus bestrijden. Bovendien: om de leeftijd dan op 16 jaar te stellen voelt ook wat willekeurig. Zestienminners betalen immers óók belasting.

Verlaging of juist verhoging?

Maar feitelijk is de leeftijd van 18 jaar evengoed willekeurig. Het menselijk brein is nog bezig met ontwikkelen tot na het 25e jaar. Wat dat betreft kan het breinargument ook juist een argument voor verhoging van de kiesleeftijd zijn. Wel is 18 jaar in Nederland de leeftijd van meerderjarigheid en wordt het in zijn algemeenheid als een soort kantelpunt gezien tussen kind en volwassene. Het lijkt logisch ook daaraan het stemrecht te koppelen.

Maar: meerderjarig zijn en stemrecht staan los van elkaar, blijkt uit onze eigen geschiedenis. De kiesleeftijd werd in Nederland in 1972 verlaagd van 21 jaar naar 18 jaar. Maar pas in 1986 werd de leeftijd waarop je meerderjarig wordt verlaagd naar 18 jaar. Dus: vanaf 1972 tot in 1986 bezat een leeftijdsgroep die nog niet meerderjarig was wél stemrecht. VVD-kopstuk Hans Wiegel zei monter in het debat zich te kunnen voorstellen dat over een tijd ‘iedereen het erover eens is, dat wij best naar 16 jaar terug zouden kunnen gaan’.

Voíla, deze discussie dus. En ik hoop dat we deze weer oppakken. Alleen al omdat het goed is normaal lijkende thema’s ter discussie te stellen, om er opnieuw naar te kijken en bewust te kiezen voor verandering of voor behoud. Dus ook als de eindconclusie is: we houden de kiesleeftijd op 18 jaar om reden X en Y, dan nóg is dat een goed resultaat.

Reageren? Laat het ons weten via sociale media of mail naar perspex@perspectief.nu

« Terug