« Terug

Deel 2: Week van: Elk kind telt

Post 2 Elk Kind Telt.pngdinsdag 23 februari 2021

Tiny Biewenga: ‘Mensen willen helpen, willen iets concreets neerzetten, willen die “instagrammable” foto. Aan die dynamiek van vraag en aanbod rondom weeshuizen en kwetsbare kinderen zouden overheden een einde moeten maken.’

Deze week duikt PerspectieF in de wereld van kinderen in de context van ontwikkelingssamenwerking. Immers, ieder kind telt, of het nu in Nederland woont of daarbuiten. Hoe kan de Nederlandse politiek goede kindzorg bevorderen? En welke praktijken schaden kinderen juist? Vandaag gaan wij in gesprek met Johanna Koffeman-Kramer(CUEP), Tiny Biewenga (Red een Kind)en Matthijn van Felius (PerspectieF) over de transitie van institutionele zorg (zoals kindertehuizen) naar goede alternatieve zorg.

Johanna Koffeman-Kramer is beleidsmedewerker bij de ChristenUnie-fractie in het Europees Parlement. Daarnaast is zij kandidaat voor de ChristenUnie bij de aanstaande Tweede Kamerverkiezingen (nr. 15). Onlangs mocht zij voor de tweede keer moeder worden. Vanuit dat perspectief is zij extra geïnteresseerd in thema’s rond goede zorg voor kinderen.

Tiny Biewenga is coördinator institutionele fondsen en netwerken bij stichting Red een Kind. In een eerdere rol was zij betrokken bij een parlementaire hoorzitting over weeshuistoerisme. Haar organisatie was eerder nauw betrokken bij verschillende weeshuizen, maar besloot een andere weg in te slaan. Hierover vertelt zij meer in dit interview.

Matthijn van Felius is een bachelor student rechtsgeleerdheid (UU) en theologie (VU/PTHU) en is een kleine twee jaar lid van het Internationaal Secretariaat van PerspectieF.

Pieter Dirk: We spreken vandaag naar aanleiding van het onderzoek Omvang vrijwilligers reizen van Nederland naar residentiële zorginstellingen voor kinderen’ van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Jij was betrokken bij de totstandkoming van dat rapport, Tiny. Wat was jouw rol precies?

Tiny: Toen dit thema begon te spelen in de politiek, was ik politiek adviseur bij stichting Red een Kind. Namens die organisatie en een aantal andere christelijke organisaties werd ik door de Tweede Kamer uitgenodigd voor de hoorzitting over weeshuistoerisme. Stichting Red een Kind had namelijk veel ervaring met institutionele kinderzorg. Aanvankelijk ontleende Red een Kind zelfs zijn bestaansrecht aan weeshuizen. Tien jaar geleden hebben wij echter bewust de keuze gemaakt om te stoppen met onze steun aan residentiële kinderinstellingen. Vanaf dat moment zijn wij begonnen aan een transitie naar het ondersteunen van andere vormen van zorg, vooral via gezinnen. Ook wij kwamen namelijk tot de conclusie dat kinderen het beste op kunnen groeien in een gezin. Een tehuis is een noodoplossing voor als het gewoon echt niet anders kan. Vanuit deze achtergrond mocht ik wat vertellen in de Tweede Kamer. Ik vind het belangrijk dat politici de breedte van het probleem kennen, maar vooral ook de complexiteit van de oplossingen.

Johanna: Hoe kwam die transitie eigenlijk tot stand? Was dat op initiatief vanuit de sector en jullie als organisatie, of speelde de politiek daarin nog een rol?

Tiny: Het was voor ons echt een kwestie van voortschrijdend inzicht. Als organisatie kwamen we erachter dat veel kinderen in onze instellingen nog één of zelfs twee ouders hadden. Daarnaast bleek uit onderzoek dat in kindertehuizen ook nog andere problemen spelen, zoals hechtingsproblemen en een gebrek aan aandacht voor individuele kinderen. Dit past in een bredere trend: de tijdsgeest is veranderd. In de jaren zestig werd er uit een soort van filantropie gehandeld: organisaties wilden ontwikkeling brengen. Het ondersteunen van weeshuizen valt binnen die trend. Tegenwoordig kijken we toch anders tegen dit soort Noord-Zuid hulp aan. Een cultuuromslag heeft er voor gezorgd dat ontwikkelingsorganisaties vooral een ondersteunende rol spelen bij lokale initiatieven en zo willen bijdragen en de eigen ontwikkeling van mensen.

Ook sommige lokale organisaties waarmee wij samenwerkten kwamen tot het inzicht dat weeshuizen vaak niet de beste oplossingen zijn. Met hen en andere organisaties zijn wij het gesprek aangegaan. Met organisaties die geen toekomst zonder weeshuizen voor zich zagen, hebben wij de banden moeten verbreken. Overigens zijn wij tot 2010 wel door gegaan met het steunen van weeshuizen voor kinderen met een lichamelijk of verstandelijke beperking. Hun positie is in ontwikkelingslanden vaak extra slecht is. Men meent dan ook dat voor die groep kinderen een weeshuis een (tijdelijke )oplossing kan zijn.

Pieter Dirk: Tiny vertelt over een cultuuromslag die zich de afgelopen jaren voltrokken heeft. Heb jij iets van deze omslag meegekregen in de politiek, in Brussel, Johanna?

Johanna: Het is niet helemaal mijn expertiseveld, maar wat ik wel duidelijk in Brussel zie is de wil om af te stappen van het ‘whitesaviourcomplex. De aanpak van de weeshuisproblematiek lijkt mij iets dat vooral in Den Haag opgepakt moet worden. Ook Nederland speelde namelijk een rol in het openen van weeshuizen in derde wereldlanden – frappant genoeg veelal parallel aan het sluiten van diezelfde weeshuizen in Nederland in de jaren zestig.

Tiny: Ondanks deze trend wordt er helaas nog vaak gedacht via het whitesaviour principe. Weeshuizen zijn namelijk een aantrekkelijke manier om ‘iets goeds’ te doen, ze zijn heel tastbaar. Dit patroon zie je vaker. Ook rondom de SDGsis het al gauw, enigszins gechargeerd: ‘we zetten hier een school neer’ of ‘we bouwen daar een centrum en we stoppen er een paar kinderen in.

Pieter Dirk: Toch is er ook een andere trend. In 2019 stelde de VN middels een aantal resoluties het gezin centraal. Dit klinkt enigszinsconservatieve jongeren zoals die bij de ChristenUnie natuurlijk al snel als muziek in de oren. Moeten we dit inderdaad zien als een echte politieke comeback van het gezin?

Tiny: Nee, we moeten het meer uitleggen vanuit het voortschrijdend inzicht ten aanzien van tehuizen. Er is eigenlijk altijd wel enige aandacht geweest voor het feit dat het ‘t beste is om een kind in zijn of haar thuissituatie op te vangen. Daarom doen we bij Red een Kind vooral interventies op een hoger niveau: wij investeren in de basisvoorwaarden voor gezonde gezinnen. Maar wij zijn dan ook ‘sector gekkies’. Het is lastig om de particuliere initiatieven tegen te houden van mensen die vanuit een drang om goed te doen toch een weeshuis oprichten.

Pieter Dirk: Daarom is het extra mooi dat de VN-resolutie expliciet spreekt van de noodzaak tot de-institutionalisering. Doet dit jouw moederhart goed, Johanna?

Johanna: Jazeker. Maar de vraag is wat er nu in de praktijk van terecht komt. Nederland zet in op zelfregulering vanuit de sector. Daar heb ik mijn vraagtekens bij. In hoeverre gaat dat lukken, wanneer echte druk vanuit de overheid ontbreekt?

Pieter Dirk: Is het voorkomen van die weeshuizen niet een taak vanuit lokale overheden?

Johanna: Ja, maar omdat wij, onder andere via de EU, veel geld aan die landen geven, kunnen we hier misschien ook iets van ze vragen? En wat die zelfregulering vanuit de sector betreft, hoe kijk jij daar dan als ingewijde in diezelfde sector tegenaan, Tiny?

Tiny: Wanneer je kijkt naar de weeshuizen die er nu nog zijn, dan draaien die voornamelijk op de intrinsieke motivatie van de mensen die zo’n weeshuis instand houden. Daar kun je als overheid dus niet zoveel aan doen. Zelfregulering vanuit de sector is daarmee onvermijdelijk. Waar de Nederlandse en lokale overheden wel een rol kunnen hebben in het voorkomen van de stichting van weeshuizen, is het veel lastiger om er een einde aan te maken wanneer ze er eenmaal zijn. Vanaf dat moment is het, bot gezegd, een kwestie van vraag en aanbod. Opvallend genoeg zijn sociale en economische ontwikkelingen geen graadmeter voor het aantal weeshuizen dat een land heeft. Er zijn bijvoorbeeld een aantal relatief arme ontwikkelingslanden, waar het aantal weeshuizen desondanks laag is. Daar waar ze wel zijn, worden ze in stand gehouden door de aanhoudende vraag vanuit het buitenland. Mensen willen helpen, willen iets concreets neerzetten, willen die instagrammablefoto. Aan die dynamiek van vraag en aanbod rondom weeshuizen en kwetsbare kinderen zouden voornamelijk lokale overheden, geholpen door de Nederlandse overheid op bilateraal niveau, een einde moeten maken.

Pieter Dirk: In het rapport van Buitenlandse Zaken worden een aantal concrete maatregelen genoemd waarmee zulk weeshuistoerisme aangepakt kan worden. Denk aan het afpakken van de ANBI-status bij stichtingen die institutionele zorg steunen, of het verplicht stellen van een VOG voor reizende vrijwilligers. Wat vindjij van zulke opties?

Tiny: Het afpakken van de ANBI-status zal volgens mij helaas niet zo heel veel helpen, omdat het vaak om kleine organisaties gaat met een paar toegewijde donoren. Het voorkomen dat mensen afreizen naar weeshuizen en het verplicht stellen van een VOG kan daarentegen wel helpen. Ook het verbieden van gefaciliteerde (contract)reizen naar weeshuizen kan een oplossing zijn. Maar meer toezicht van de overheid op ngo’s is niet echt iets waar de sector doorgaans op zit te wachten. Meer inzet op bilaterale samenwerking en beïnvloeding van landen met veel tehuizen door de Nederlandse overheid juich ik wel toe. En natuurlijk bewustwording in Nederland. Daarbij moeten de campagnes zich vooral richting op vrouwen van middelbare leeftijd, dat is namelijk een groep die opvallend vaak naar weeshuizen afreist. En zelfs dan zal je toch nog een kleine groep mensen hebben die volharden en naar weeshuizen reizen. Het aanpakken van die groep vergt maatwerk, dat is niet op te lossen met regelgeving.

Johanna: Wat ik opvallend vind is dat men tegenwoordig niet meer echt spreekt van vrijwilligerswerk. We noemen het liever duurzaamheidswerk. Hoe moeten we zulk duurzaamheidswerk dan inrichten?

Tiny: Ik geloof echt dat economische interventies in ontwikkelingssamenwerking helpen. Daarmee haal je grondoorzaken van armoede weg, waardoor de drempel lager wordt voor ouders om hun kind zelf te voeden en op te voeden. Een kind weggeven doe je namelijk niet zomaar. Ik geloof zelf ook in een mogelijkheid die niet in het rapport genoemd staat, en dat is sociale hervormingen in de landen met veel institutionele zorg. Er komt straks namelijk een hele generatie kinderen aan die opgegroeid zijn in tehuizen, zij hebben daar hun eigen visie op.. Zij zijn bij uitstek in staat om te pleiten voor hervormingen in hun eigen sociale context. Wij moeten hen helpen hun stem te laten horen, om zo hervormingen van binnenuit te stimuleren.

Pieter Dirk: Bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt, als ik het goedheb, met Interpol gewerkt aan een internationaal VOG-systeem. Dit gaat door de vele betrokkenen natuurlijk langzaam. Zouden we dit niet beter op Europees niveau kunnen regelen, Johanna?

Johanna: Ja, daar liggen denk ik zeker kansen. Zeker wanneer zo’n middel en deze thematiek in het algemeen meegenomen wordt in Europese handelsverdragen, dan kan het bijzonder effectief zijn.

Tiny: Er is misschien zelfs nog wel een maatregel die de moeite van het overwegen waard is: de Nederlandse overheid zou kunnen inzetten op zelfrapportage vanuit de sector. Dat betekent dat je als organisatie eens in de zoveel tijd rapporteert over hoe goed de manier van werken van hun organisatie voor de kinderen is. Dat is een goede stimulans tot zelfregulering. Samen kunnen al deze bouwstenen eraan bijdragen dat wij net zulke hoge eisen stellen aan de zorg voor kinderen elders, als aan de zorg voor onze eigen kinderen in Nederland.